Eindrapport Mastenbroek

In het kader van de POV-piping is in de periode van 2014 tot 2015 door waterschap Groot Salland in samenwerking met Arcadis, Alterra en Medusa onderzoek gedaan naar de intredeweerstand, korrelgrootte en historische aanwijzingen voor zwakke plekken van het oudste poldergebied van Nederland. Dit is essentiële informatie voor het beoordelen en ontwerpen van waterkeringen met de nieuwe rekenregel Sellmeijer (2011).

Doel verkenning

  • na te gaan of en hoe drie verschillende onderzoeksporen (geotechnisch, geofysisch en historisch onderzoek) elkaar kunnen versterken; 
  • het in beeld brengen van variaties in de ondergrond met elke onderzoekstechniek afzonderlijk.

Aanleiding verkenning

De aanleiding hiervoor was het feit dat goede waarden voor intredeweerstand en zandgrofheid vaak lastig vast te stellen zijn door variaties in bodemopbouw. Bovendien verklaren de analyses met deze waarden niet altijd het ontstaan van zandmeevoerende wellen op specifieke plekken. In de figuur is als voorbeeld een bovenaanzicht van meetresultaten in het voorland gegeven. Het aantal legenda eenheden en het vlakken patroon geeft aan hoe de intredeweerstand in het voorland varieert.

Het onderzoek heeft bestaan uit:

  • zeer gedetailleerd grondonderzoek om de variatie in grondopbouw te onderzoeken; 
  • lokale bepaling van de intredeweerstand van het voorland met geofysisch onderzoek;  historisch onderzoek naar aanwijzingen voor zwakke plekken.

Het onderzoek heeft uitgewezen dat:

  • de verschillende onderzoekstechnieken elkaar alleen in beperkte mate versterken; 
  • de individuele onderzoekssporen elk hun eigen beperkingen (blijven) houden, ondanks dat ook positieve resultaten zijn bereikt.

Juist met een combinatie van geofysische onderzoekstechnieken is het mogelijk om een gebiedsdekkend beeld van de intredeweerstand te verkrijgen. Maar het vaststellen van de zandgrofheid met een beperkte hoeveelheid metingen lastig blijft door de van nature aanwezige variatie in de ondergrond. Het wordt aanbevolen om het historisch onderzoek beperkt van karakter te houden, omdat het vooral een toegevoegde waarde heeft als het louter gericht is op waterveiligheid. Daarnaast zijn diverse aanbevelingen gedaan en conclusies getrokken.

De hoofdconclusies zijn:

  • er zijn geen historische aanwijzingen geleverd die duiden op lokale zwakke plekken, waarvan de exacte locatie daadwerkelijk bekend is; 
  • met de juiste geofysische onderzoekstechnieken kan worden bespaard op arbeidsintensieve handboringen; 
  • samenhang met andere POV piping verkenningen met een accent op zandgrofheid is nodig om volledig inzicht te krijgen in de praktische toepasbaarheid van rekenregel van Sellmeijer 2011.

Vervolgtraject

De praktische aanbevelingen ten aanzien van grondonderzoek en het schematiseren van de ondergrond worden in een aanvullende verkenning ‘’Heterogeniteit’’ verwoord in een Handleiding Grondonderzoek en een Schematiseringshandleiding. Deze aanvullende verkenning start op korte termijn.


Bijlage(n)

» Eindrapport


Plaats een bericht



CAPTCHA Image
Reload Image



1 Reacties

  • Rimmer Koopmans: op 27 March 2017 om 08:49
    Op de foto is te zien hoe met een Van der Staay boor een zandmonster wordt genomen in de "proeftuin Veecaten".